Hoe een verzetsstrijder tientallen gecrashte piloten redde

Vollenhove zomerochtend 1944

Alleen als het echt ernstig is, noemt Joops vader hem bij zijn echte naam, Johannes. Op een zomerochtend in 1944 is het zover. “Luister even heel goed Johannes. Jij fietst zo naar boer Klaas. Er zullen een paar mannen achter je aan fietsen, ze blijven op 20, 25 meter afstand. Als ze worden aangehouden door Duitsers, fiets jij gewoon door. Je hoort niet bij ze en kent ze niet. Als Klaas de mannen heeft ontvangen, kom je direct weer terug.” De twaalfjarige Joop gehoorzaamt. Zonder ook maar een woord met de mannen te wisselen levert hij ze af op de afgesproken bestemming.
Die ochtend vallen de puzzelstukjes voor Joop in elkaar.

Attlebridge: 23 maart 1944

Het gevechtsvliegtuig van Robert Garrett stijgt op. De Amerikaanse piloot is nog jong. En onervaren, dit is zijn eerste missie. Gelukkig is de opdracht overzichtelijk: koersen naar het Duitse Osnabrück, de targets op het vliegveld van Achmer raken en dan snel terug naar Attlebridge, de militaire basis op veertig kilometer van de Engelse westkust. Het is ochtend. Als alles goed gaat is de ploeg op tijd terug voor het avondeten. Garretts crew bestaat uit een copiloot, een navigator, een bommenrichter, een technicus, een radio-operator en vier schutters. Op hun pasfoto’s kijken de meesten nog met een jongensachtige vrolijkheid door hun ogen, Garrett zelf oogt iets behoudender. Die 23ste maart zal zijn leven ingrijpend veranderen.

Ze staan er niet alleen voor. 21 type B-24-toestellen zullen het militaire vliegveld boven Osnabrück bereiken. Ze lossen bommen en schieten met mitrailleurs gerichter op de vijand. Hiervoor zijn ze uit de Verenigde Staten gekomen, om bezet Europa te verlossen van Nazi-Duitsland.

Maar Garrett is in het heetst van de strijd nergens te bekennen. Zijn vliegtuig haalt Duitsland niet.

Om tien voor tien ‘s ochtends gaat het boven Overijssel gruwelijk mis. Garrett komt in botsing met een vliegtuig van de eigen unit. Alle negen inzittenden van het bevriende toestel komen om het leven (SGLO T3544). Zes jongens uit Garretts crew treft hetzelfde lot. Hijzelf en drie anderen overleven de botsing. Omwonenden, opgeschrokken door de klap in de lucht, zien de vier met parachutes naar beneden komen. (SGLO T3545)

De crash vindt plaats boven de Boschwijde, een meertje vlak voorbij de Noordoostpolder, die dan pas is drooggelegd. Aan de westkant zijn Sint-Jansklooster en Vollenhove dichtbij, iets verder aan de oostkant ligt Meppel. Ook hiervoor zijn soldaten als Garrett getraind, hoewel vaak oppervlakkig: in dunbevolkt gebied landen, parachutedoek begraven, uit het zicht van de Duitsers blijven en dan maar met hulp terug in Engeland zien te komen. Makkelijker gezegd dan gedaan, want vind ‘de goeden’ maar eens op klaarlichte dag, geland in koud water van een onbekend land met een vreemde taal. Als de Duitsers je niet allang hebben gezien.

Garretts crash is niet bepaald uniek. In de Tweede Wereldoorlog gaan volgens cijfers van de Studiegroep Luchtoorlog 4740 gevechtsvliegtuigen in Nederland verloren.
Dit aantal is afgerond op tientallen. 600 vliegtuigen die in de Noordzee zijn gecrasht, zijn niet inbegrepen. Dat geldt ook voor 400 vliegtuigen die eenheden zelf vernietigden, om te voorkomen dat de vijand er later mee aan de haal zou gaan. Nederland zelf verliest trouwens 80 vliegtuigen. Dat aantal zit is wel meegeteld.
Daar zitten zeker 16.000 bemanningsleden in.
12.800 van de 16.220 zijn geallieerde piloten. Door incomplete gegevens van crashes met Duitse inzittenden ligt het aantal van 16.000 vermoedelijk hoger.
De Britse Royal Air Force lijdt met 2220 toestellen de meeste schade, gevolgd door de Duitse Luftwaffe (1810 vliegtuigen). Het toestel van Garrett is een van de 630 Amerikaanse toestellen die verloren gaan. Meer dan de helft van de bijna 13.000 geallieerde inzittenden komt bij de crash om het leven. De Studiegroep schat het aantal overlevenden tussen de 6600 en 6700. Overlevenden van de crash zelf dus. Dat betekent niet dat ze de oorlog hebben overleefd.
Cijfers hiervan ontbreken bij de Studiegroep Luchtoorlog.
Het echte overleven, dat begon pas op de grond.

Noord-Holland, 1940: “Niet zwaaien bliksem!”

“Niet zwaaien bliksem!”, snauwt zijn vader. Joop Muller – nu 84 – weet het nog goed. Als achtjarig jongetje komen Duitse kolonnes hem bij Den Oever tegemoet. Grote kerels op zijspannen die na de gewonnen slag op de Afsluitdijk Noord-Holland innemen. Sommige omstanders beginnen aarzelend te wuiven. “Domme mensen zagen wel iets in het machtsvertoon. En kinderen dus zeker ook, ik vond het razend interessant.” Zijn vader straft het af met een klap op zijn arm.

Even daarvoor overnachten Nederlandse officieren nog in de huizen van de families Muller en Kingma in Slootdorp, waar de kleine Joop opgroeit. De families wonen vlak bij elkaar. Joops vader Jacob is getrouwd met Grietje Kingma. Een paar jaar voor het huwelijk begint Jacob als uitvoerder in het aannemersbedrijf van de Kingma’s. Als de Duitsers in 1940 Nederland binnenvallen is hij al drie jaar directeur en medeaandeelhouder.

Maar zwager Marten Kingma is het echte brein van het familiebedrijf, dat in 1889 door diens vader Albert diep in Noord-Friesland is opgericht. Al op zijn 27ste heeft Marten de leiding overgenomen van zijn vader. Hij heeft een sterker zakelijk instinct en durft gewoonweg meer. Zo trekt hij er begin jaren ’20 alleen op uit om in Assen eigenhandig 44 woningen te bouwen en verplaatst hij de hoofdvestiging van het bedrijf een paar jaar later van het gehucht Hantum naar de hoofdstad Leeuwarden, waar de kansen om nationaal door te breken groter zijn. De hoofdvestiging zal daar blijven, maar de Firma Kingma reist in de jaren ’20 en ‘30 het werk door heel Nederland achterna. Naar Terschelling, Zwolle, Haarlem en uiteindelijk Slootdorp in de Wieringermeer. De verhuizingen zijn telkens een hels karwei.

Vaak zet Marten de lijnen vanuit Leeuwarden uit. Alleen voor de klus in de Wieringermeer gaat hij zelf mee. Die is zó groot dat hij er bij wil zijn, vooral om het contact met de opdrachtgever te onderhouden: Directie Wieringermeer. Onder leiding van de Directie wordt Kingma de grootste speler in de regio. Het bedrijf bouwt er batterijen aan huizen en boerderijen, ook nog als de Duitsers Nederland in handen hebben.

Marten runt de zaak zonder opleiding: direct na de lagere school heeft hij zich bij zijn vader op de bouwsteigers gevoegd. Daar heeft hij het technische deel van het vak geleerd. Zijn commerciële intuïtie en lef had hij bij zijn geboorte al cadeau gekregen. Hij imponeert zijn eigen vader: al snel kijkt die tegen de zoon op, in plaats van andersom.

Marten is een man van weinig woorden. Maar als hij iets zegt, snijdt het vrijwel altijd hout. Dat vertellen zijn neefje Joop Muller en zijn nog levende zoon, wiens naam op verzoek onvermeld blijft. Wat Marten in zijn hoofd heeft, voert zijn omgeving uit. Niet uit angst, zegt zijn zoon, eerder ontzag. Joop: “Hij was altijd beheerst, licht ironisch, maar nooit sarcastisch. Als hij een klus binnenhaalde, durfde hij het werk ook uit handen te geven: ‘Voer het maar uit’, zei hij dan tegen mijn vader. Soms zagen we oom Marten dan dagen niet. Hij trok zich terug op zijn kantoor, waar hij de dag elke ochtend om 05.00 uur begon met administreren en calculeren. Alles met de hand geschreven.” Maar ook als hij er niet was, voelden zijn medewerkers Martens aanwezigheid. Joop, door een lange internationale carrière flink verengelst: “Although often invisible, he was always there.”

Kingma kijkt naar een van zijn werken (Volkskrant)

Kingma kijkt naar een van zijn werken (Volkskrant)

Als in 1942 ook de Noordoostpolder is drooggelegd staat Marten opnieuw voor in de rij. Ook de bouw van deze polder wordt uitbesteed door de Directie Wieringermeer en dankzij het goede werk en contact krijgt de firma Kingma de klus. Wéér verhuizen de families. Hun huizen bouwen ze zelf, ditmaal in Vollenhove, een oud Zuiderzeestadje aan de rand van de polder. Hoewel de Nederlandse economie is ingestort tijdens de oorlog gaat de inpoldering van grote stukken water gewoon door. Nieuw land betekent ook voor de Duitsers extra eten. Blubberige vlakten worden bezaaid met riet om het zout uit de grond te halen. Maar voordat er gewassen verbouwd kunnen worden, moet het gebied eerst begaan- en bewoonbaar worden gemaakt. Plaatsen zijn dan nog naamloos en hebben slechts een letter: dorp A zou later Emmeloord heten. Marten zet er in 1943 de eerste huizen neer.

Door het Duitse belang in de bouw van het gebied kan de onafhankelijke Directie Wieringermeer – en daarmee het bedrijf van de Kingma’s – tamelijk ongestoord verder werken. Duitsers komen weinig in de polder, want afgezien van de bewoners van de werkkampen woont er immers nog niemand. Het gebied blijkt zo een uitkomst voor illegalen. In de barakken verschuilen honderden onderduikers zich voor de Duitsers. Ze kunnen er werken, krijgen er eten en hebben onderdak.

Vollenhove 1944: “Vallende mensen, daar sprak je niet over”

Joop herinnert zich dat er niet over werd gesproken, de vallende mensen en vliegtuigen. Hoe minder hij als kind weet hoe beter. Stel je voor dat hij tegen een kind van een foute vader begint te pochen over het werk van zijn familie. Het zou de hele groep de kop kunnen kosten. De aanplakbiljetten liegen er niet om: wie gecrashte geallieerden helpt, kan de doodstraf verwachten.

Als prepuber heeft Joop geen idee wat er speelt. Wie het zijn, waar ze terecht komen, of ze hulp krijgen? Joop heeft bovendien wel andere zaken aan zijn hoofd. Spelen met vriendjes of helpen op de boerderij van Klaas de Lange bijvoorbeeld. Het liefst blijft hij er slapen om ’s ochtends vroeg te assisteren bij het melken. Op geluksdagen mag het van zijn ouders.

Pas op die zomerochtend in 1944, als hij van zijn vader een stel mannen moet wegbrengen naar Klaas, begint hij te begrijpen wat er aan de hand is. Het is niet zomaar dat hij soms bij boer Klaas mag slapen. De geluksdagen zijn geen toeval. Als hij weg is, kunnen zijn ouders ongestoord gecrashte Amerikanen verbergen en vervoeren. Op het moment dat Joop ontdekt wat er speelt, heeft de ‘groep Vollenhove’ onder leiding van Marten Kingma al zo’n dertig gecrashte geallieerden geholpen. Soms overnachten ze bij Marten thuis, soms op de zolder van de timmerwerkplaats en andere keren bij gelijkgestemden in het stadje.

Uiteindelijk worden het er zeker 42. Robert Garrett en de drie andere overlevenden uit zijn crew zijn vier van hen. Alles gebeurt geweldloos. Marten is een klassieke socialist en pacifist: hij draagt een gebroken geweertje en is van de blauwe knoop.

De verhoudingen in het verzet zijn hetzelfde als in het bedrijf. De gehoorzaamheid aan Marten Kingma is net zo vanzelfsprekend. Hij is het brein, zet de lijnen uit en geeft zijn werknemers opdracht te helpen. Zonder uitzondering schikken ze in de rol, zo ook Jacob Muller. Joop: “Natuurlijk, ze dachten zelf na en maakten zelf de keuze om te helpen. Maar de mening van oom Marten woog erg zwaar. Ik heb me mijn hele leven afgevraagd hoe het kon dat het geen punt van discussie was of je meehielp of niet. Ik noem het maar de Kingma-doctrine.”

Minnesota 2016: leven dankzij de Kingma-doctrine

Marla Okner (62) is de groep Kingma nog altijd dankbaar. Ongeveer twee weken voordat Garrett crasht, overkomt haar vader Marlowe Olson hetzelfde. Hij stort neer in Overijssel (SGLO T3519), wordt opgepikt door contacten van Marten, krijgt eten, onderdak en hulp in de zoektocht naar een onderduikadres. Hij overnacht onder meer bij Martens notaris Jan van Kluyve en onderaannemer Jacob van Hout. Daarna duikt hij onder in Friesland. Als de ontsnappingsroute veilig is, brengt het verzet hem naar België. Door verraad wordt hij in Antwerpen alsnog gearresteerd. In een krijgsgevangenkamp in Oost-Europa zit hij de rest van de oorlog uit.

Marla heeft er nooit goed met hem over kunnen praten. Ze hebben een liefdevolle vader-dochterband, maar dit onderwerp blijft onbesproken. Ja, dat hij zich als student en boerenzoon bij de luchtmacht had gevoegd wist ze. En dat hij ooit ergens in Nederland was beland ook. Maar welke routes haar vader aflegde, met wie hij was, waar hij crashte en hoe hij de oorlog doorkwam: geen idee. Waarom weet Marla nog altijd niet. Misschien vroeg ze niet specifiek genoeg door, misschien wilde Marlowe haar dochter niet opzadelen met zijn verleden.

Ook Marla’s moeder weet maar weinig van het oorlogsverleden van haar man. Tot ze op een dag een telefoontje uit Nederland krijgt. Het is dan 2009, net een jaar na de dood van Marlowe. Aan de andere kant van de lijn zit Teunis Schuurman, een amateurarchivaris die zijn dagen inmiddels al meer dan tien jaar fulltime vult met het vervolmaken van zijn missie: het achterhalen van alle vliegtuigen en inzittenden die in de Tweede Wereldoorlog zijn gecrasht in en rondom Vollenhove. En vooral: pasfoto’s van de betrokken soldaten verzamelen. Hoe completer het beeld, des te groter de voldoening. Onder hen vallen alle door Marten Kingma geholpen bemanningsleden en dus ook de vader van Marla. Met eigen budget en met hulp van anderen trekt Schuurman voor duizenden euro’s aan buitenlandse archieven leeg. Vaak weet hij meer over het oorlogsverleden van de ‘mannetjes’ dan de nabestaanden die hij ermee confronteert. Zo ook in het geval van Marla.

Precies in de periode dat het contact met Teunis groeit, moet Marla’s bejaarde moeder verhuizen. Als ze tijdens de verhuizing door de erfenis van Marlowe rommelen, vinden ze dagboeken waarvan ze het bestaan niet wisten. Ze lopen ongeveer vanaf Pearl Harbor (1941), de aanleiding, zo blijkt, dat haar vader het leger in gaat. Pas nu leest ze dat haar vader eigenlijk piloot had willen worden, maar dat hij het tot zijn eigen teleurstelling moest doen met een baan als navigator. Hoe dieper ze graaft in zijn verleden, hoe meer het haar boeit. Tegelijkertijd overheerst de frustratie dat ze hem er zelf niet meer over kan bevragen.

Van het Nationaal Archief krijgt ze het oorlogsdossier dat, net als voor alle Amerikaanse soldaten in de Tweede Wereldoorlog, over haar vader was aangelegd. En in Amerikaanse dossiers van onderscheiden Nederlandse helpers (zoals Marten Kingma)
Marten Kingma kreeg na de oorlog onder meer de medal of Freedom.
leest ze over Marlowe’s periode in Nederland.

Uiteindelijk leidt het contact met Teunis tot drie bezoeken aan Nederland. Ze legt grote delen van de route af die haar vader zeventig jaar eerder maakte. Van nabestaanden van helpers krijgt ze details over haar vader. Dat hij hele dagen zat te schaken en goede vrienden werd met zijn ‘onderduikvader’ in Surhuisterveen bijvoorbeeld.

Marla staat voor een grotere groep nazaten die het leven onder meer dankt aan wat Joop omschrijft als de Kingma-doctrine. Het lukte Teunis om met enkele tientallen in contact te komen, maar met kinderen van kinderen en kinderen daarvan gaat het om meer dan zeshonderd buitenlandse families.

Schiermonnikoog 2016

Er leeft nog een vrouw die de gecrashte piloot Garrett en zijn drie collega’s heeft helpen overleven. Joke Folmer (92) was als smokkelaarster een spil in het Nederlandse verzetsnetwerk. En vier van de honderden onderduikers en geallieerden die Folmer hielp, zijn dus ook door Marten Kingma geholpen. Dat blijkt uit namenlijsten van vlak na de oorlog – helpers werden opgeroepen zich met die lijsten te melden bij . Niet dat ze van elkaars activiteiten wisten tijdens de oorlog. Folmer heeft Kingma nooit gekend, zoals zo veel verzetsstrijders niet wisten met wie ze indirect allemaal samenwerkten. Bij ontsnappingsroutes waren vaak tientallen helpers betrokken. Het is dan ook belangrijk om de rol van de familie Kingma in het perspectief van het grotere verzet in Nederland te zien. In deze video kijkt Joke Folmer terug op haar tijd in het verzet en legt ze uit hoe het werkte.

Verzetsvrouw Joke Folmer (92) legt uit: geallieerden smokkelen deed je zo

Zomer 1944: de ‘Kwestie Kingma’

Het lukt Marten tot in de zomer van 1944 om geallieerde bemanningsleden te helpen en over te dragen aan het landelijke verzet. Op 24 juli, als de geallieerden anderhalve maand na D-day nog maar brokjes Frankrijk hebben veroverd, valt Martens sleutelrol als een kaartenhuis in elkaar.

Zijn groep zet in die tijd ook illegale benzinetransporten op voor het verzet in Friesland. De Knokploegen hebben namelijk brandstof nodig om hun auto’s op de weg te houden. Marten gebruikt zijn bedrijf als dekmantel om benzine te krijgen van de Duitsers. Die stemmen ermee in: als Kingma’s machines niet werken, wordt er immers niet gebouwd in het gebied waar ook zij baat bij hebben. Intussen geeft Marten twee van zijn chauffeurs opdracht om de brandstof naar Friesland te smokkelen.

Maar in de avond van de 24ste gaat het mis. Als de Chevrolet van Martens chauffeurs hapert en landwachters hun papieren vragen, ontdekken de Duitsers dat de benzine een andere bestemming dan Kingma’s apparaten heeft. In de gevangenis in Leeuwarden wordt vooral bestuurder Klaas Bijlsma hardhandig verhoord.

Als Marten hoort van de arrestatie brengt hij zichzelf, zijn gezin en het bedrijf zo snel mogelijk in veiligheid. Het zal niet lang duren voor de Duitsers via Bijlsma bij hem terechtkomen. De auto waarmee hij is opgepakt staat immers op de naam van Martens bedrijf. Omdat Marten ook rekening hield met dít scenario, is het belangrijkste voorbereid. Hij en zijn gezin vluchten naar kennissen in Eernewoude, niet ver van Leeuwarden. Ze duiken onder in een woonark dat tussen hoog opstekend riet verscholen ligt. Het zijn de zwaarste maanden voor Marten. Het knaagt vooral dat Bijlsma mede door hem is opgepakt en er nu in de gevangenis flink van langs krijgt. Bijlsma deed het transport immers op Martens verzoek.

Ook de ouders van Joop Muller moeten even later verdwijnen. Hij zelf wordt ondergebracht bij boer Klaas de Lange. Zijn vader leidt een zwervend bestaan. Af en toe komt hij langs om te overnachten op de boerderij waar Joop verblijft. De nachten dat hij er is liggen ze in hetzelfde bed.

Intussen ligt voor het familiebedrijf een ingenieus reddingsplan klaar. Vooraf is afgesproken dat de Directie Wieringermeer – Martens belangrijkste opdrachtgever – via een juridische procedure beslag zal leggen op de bezittingen van het bedrijf, mocht er iets mis gaan. De Directie zal verontwaardigd reageren als de Kingma’s plots niet meer op het werk in de polder verschijnen en als genoegdoening voor de geleden ‘schade’ als opdrachtgever het onroerende goed opeisen. Met de spullen die ze in beslag nemen, kunnen ze het werk zelf voortzetten.

Het dossier uit het archief van de directie Wieringermeer in Lelystad (Volkskrant)

Het dossier uit het archief van de directie Wieringermeer in Lelystad (Volkskrant)

Dat het plan doorgestoken kaart is, weet Joop uit familieverhalen. Bewijs ervan heeft hij nooit gezien. Als dat er is, moet het in een archief van de Directie liggen. En inderdaad: het dossier blijkt nog te bestaan. In de inventaris van het archief in Lelystad wordt de procedure samengevat onder de naam ‘Kwestie Kingma’. Meer dan zeventig pagina’s telt het papierwerk, dat grotendeels bestaat uit vergeelde briefwisselingen tussen de Directie, betrokkenen bij het bedrijf, de landsadvocaat en een deurwaarder. Laatstgenoemde beschrijft tot in detail welk materiaal hij voor de Directie opeist: ‘Schrijfbureau, metalen kantoorkast, eiken tafel, vier stoelen, kapstok, 2500 draaibouten’. Na de bevrijding, zo is te lezen, draagt de Directie de bezittingen van Marten op eigen initiatief weer over. Het levenswerk van de familie is gered. Tot Martens vreugde overleven ook zijn opgepakte chauffeurs de oorlog.

Het lot van de Amerikaanse piloot Garrett is wranger. Helpers, waaronder Marten en Joke Folmer dus, weten hem in België te krijgen. Daar besluit hij onder te duiken op een boerderij in een dorp vlakbij Luik. Met de oprukkende geallieerden is dat verstandiger dan een gevaarlijke tocht door de frontlinies richting bevrijd gebied. Drie dagen nadat Brussel is bevrijd komen terugtrekkende SS’ers hem op de weg langs de boomgaard waarin hij werkt tegemoet. Daar wordt Garrett, zes maanden na zijn crash, op 7 september 1944 doodgeschoten.

En zo liep het af

Van de 42 bemanningsleden waarvan zeker is dat ze door de groep onder leiding van Marten Kingma zijn geholpen is er voor zover bekend nog één in leven. Hij wilde niet meewerken aan een interview.

Dankzij de redding van het bedrijf kan het na de oorlog uitgroeien tot een van de grotere bouwbedrijven van Nederland. Vanaf 1956 is Marten zelf niet meer bij het bedrijf betrokken. Als hij tijdens een autorit met succes uitwijkt voor een plots overstekende postbode botst hij met een boom. Na het ongeluk is hij nooit meer de oude. Negen jaar later overlijdt hij in het ziekenhuis van Arnhem.

Joke Folmer heeft zelf ook een indrukwekkend persoonlijk oorlogsverhaal. Bekijk het in deze video

Verantwoording

Deze productie kwam tot stand met dank aan: Joop Muller, Joke Folmer, Teunis Schuurman, Nieuw Land Erfgoedcentrum Lelystad, Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, Noordoostpolder in Oorlogstijd en het Historisch Centrum Overijssel.

Door Geart van der Pol, Wendy van der Wauw, Hay Kranen, Myrthe van Gurp en Alaye van Empel.
Bron: Volkskrant

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>