Online Lossregister

Airwar over Holland

Sinds 29 maart 2014 is een langgekoesterde wens van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 in vervulling gegaan en is het Verliesregister met informatie over meer dan 6.000 in Nederland neergekomen vliegtuigen online te vinden. Klik hier om naar het digitale Verliesregister te gaan.

Inleiding
Nadat in de Eerste Wereldoorlog het luchtwapen voor het eerst op grote schaal werd ingezet,  was dat ruim twintig jaar later veel verder geëvolueerd. Het vliegtuig speelde een grote rol in het verloop van de Tweede Wereldoorlog,  zowel door zijn mogelijkheden als door zijn tekortkomingen. De aantallen vliegtuigen waren enorm toegenomen en zelfs de meest afgelegen plekken van de aarde ondervonden aan den lijve het effect daarvan. Toch bleef de inzet van het vliegtuig gebonden aan factoren als de weersgesteldheid,  de stand van de techniek,  de logistieke infrastructuren,  de geoefendheid van bemanningen en de inzichten op doctrinair gebied.

Nederland lag ingeklemd tussen de belangrijkste oorlogsvoerende naties van West-Europa. Het was dan ook onvermijdelijk dat de luchtoorlog een zwaar stempel drukte op deze periode in onze geschiedenis. Bijna dagelijks werd ons land geconfronteerd met luchtalarm,  overvliegende vliegtuigen,  beschietingen en bombardementen. Gedurende de oorlog gingen talloze vliegtuigen verloren. Maar hoeveel? Honderd? Duizend? Nog meer? In welk deel van ons land kwamen de meeste vliegtuigen terecht? Allemaal vragen die tot op heden niet zijn beantwoord.

Deskundigen op dit terrein zijn het er al geruime tijd over eens dat het aantal neergekomen vliegtuigen op ons grondgebied in de duizenden loopt,  maar de schattingen over het precieze aantal lopen uiteen. De Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO) stelde zich ten doel uitsluitsel op die vraag te geven en tevens inzicht te bieden in de aard en de locaties van die verliezen. De kwestie van de vliegtuigverliezen is geen abstracte oefening,  integendeel. De vraag naar de oorlogsverliezen blijft actueel want met regelmaat worden wrakken opgegraven,  vermisten teruggevonden en blindgangers opgeruimd.

Het verliesregister van de SGLO
De SGLO bestaat al sinds 1975. Zij stelt zich ten doel de luchtoorlog boven Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog te bestuderen en de resultaten daarvan vast te leggen. De SGLO tracht dat doel te bereiken door het leggen en onderhouden van contacten met haar leden en gelijkgerichte organisaties en deskundigen in binnen- en buitenland. Voorts geeft de SGLO een Bulletin uit met artikelen,  mededelingen,  vragen en antwoorden,  boekrecensies,  etc. twee keer per jaar organiseert de groep een landelijke bijeenkomst,  bij voorkeur op toepasselijke locaties,  zoals vliegbases en militaire musea.

De SGLO initieert onderzoek naar de luchtoorlog tussen 1939 en 1945 en streeft ernaar de resultaten te (doen) publiceren op zo verantwoord mogelijke wijze. Een aantal leden houdt zich bezig met het onderzoek naar vliegtuigen,  die in ons land tijdens de oorlogsjaren zijn neergekomen. Het resultaat van deze naspeuringen is regelmatig gepresenteerd in publicaties. Voorts zijn door de inzet van de leden vermisten opgespoord,  monumenten opgericht en veteranen,  nabestaanden en ooggetuigen bijeen gebracht.

De wens leeft al heel lang om de gegevens van alle neergestorte vliegtuigen toegankelijk te maken door middel van één groot verliesregister. Het bleek dat niet alleen de leden van de SGLO daaraan behoefte hebben,  maar ook de overheid. Zowel op gemeentelijk als op rijksniveau wordt het ontbreken van een dergelijk register als een gemis ervaren. Het kan immers niet alleen dienen om een beeld te krijgen van lokale gebeurtenissen,  maar deze ook in perspectief te plaatsen met crashes die op dezelfde datum plaatsvonden. Bovendien geeft een register door de unieke volgnummers een eenduidige ingang op documentatie die bij verschillende instanties en geïnteresseerden aanwezig is. De koppeling en ontsluiting van gegevens is op deze wijze vereenvoudigd.

In het verleden publiceerde de SGLO monografieën van verliezen per vliegtuigtype. Deze vormen een uiterst nuttige grondslag, hoewel een dergelijk overzicht niet van alle typen voorhanden is. Een totaalbeeld ontbrak daarom nog steeds.

Tot nu toe leek het bijna onmogelijk zo’n totaalbeeld in één register tot stand te brengen. Het probleem is zowel kwantitatief groot als inhoudelijk complex,  zodat veel eerdere initiatieven niet tot een eindresultaat leidden. Grote knelpunten vormen onder meer de Meidagen van 1940,  operatie Market Garden van september 1944 en operatie Bodemplatte van 1 januari 1945. Hierbij kwamen telkens grote aantallen vliegtuigen binnen een kort tijdbestek in een relatief klein gebied terecht en dat maakt een nauwgezette reconstructie van alle afzonderlijke verliezen bijzonder lastig. Maar ook voor de rest van de oorlog waren vliegtuigverliezen aan de orde van de dag,  waarbij de reconstructie van individuele crashes tot ingewikkelde en jarenlange research kan leiden.

Ondanks de omvang van de uitdaging besloot de bestuurscommissie van de SGLO tot de opbouw van het verliesregister. Gelukkig vond zij ons lid Frans Auwerda bereid om deze enorme klus te klaren. Op basis van eigen onderzoek,  aangevuld met de vaak omvangrijke documentatiebestanden van andere leden van de SGLO,  bouwde hij het verliesregister. In nauwe samenwerking met de Sectie Luchtmachthistorie van de Koninklijke Luchtmacht (in 2005 opgegaan in het Nederlands Instituut voor Militaire Historie;  NIMH) ontstonden zo de eerste chronologische verlieslijsten,  die vanaf december 2002 in het Bulletin werden gepubliceerd. De reacties,  vaak in de vorm van aanvullingen,  werden vervolgens in de lijsten verwerkt.

De spelregels
Het register strekt zich uit over de periode van 1 september 1939 tot en met VE-Day op 8 mei 1945. In de chronologische lijsten zijn alle verliezen opgenomen:  zowel vliegtuigen die onherstelbaar waren beschadigd (bij de Luftwaffe geldt als criterium meer dan 60 procent schade),  als omgekomen bemanningsleden en vliegers. Bij de verliezen boven de Noordzee worstelde de samensteller soms met de bepaling van de crashlocatie. Zeestromingen en getijden hebben hun eigen dynamiek, zodat de vindplaats van wrakdelen of gesneuvelde bemanningsleden niet altijd dezelfde is als de crashlocatie. Na rijp beraad zijn in het register alleen de toestellen opgenomen,  die binnen de territoriale wateren neerkwamen. Toch is dit vaak niet meer nauwkeurig vast te stellen en er zal dan ook in sommige gevallen altijd ruimte voor aanvullend onderzoek en discussie blijven. Uitgangspunt is ook,  dat de gegevens van een toestel worden opgenomen wanneer een bemanningslid in Nederland is begraven (of begraven is geweest),  hier aanspoelde of krijgsgevangen werd gemaakt. In al deze gevallen kan het betreffende vliegtuig toch behouden zijn geland,  danwel buiten onze grens zijn neergekomen.

Een andere uitdaging vormen de al genoemde verliezen in de Meidagen van 1940 en dan met name die van de Ju 52 transportvliegtuigen,  waarover zich vele onderzoekers tot nu toe hebben gebogen die vaak tot verschillende tellingen kwamen. Als gesteld:  in dit register tellen alleen de ‘Totalverluste’ en niet de machines die tijdelijk vast kwamen te zitten in de Hollandse klei of op de stranden en daardoor niet meer konden opstijgen. Zij waren weliswaar voor de duur van de Duitse campagne uitgeschakeld,  maar konden toen Nederland eenmaal had gecapituleerd na een succesvolle berging opnieuw worden ingezet. In dit register is de laatste stand van zaken weergegeven. Bij de Ju 52-verliezen is het echter zeer complex om na te gaan welke bemanning met welk vliegtuig vloog en op welke locatie het terecht kwam. Het gevaar voor dubbeltellingen is aanwezig,  omdat soms wel de bemanning bekend is maar niet het serienummer van hun vliegtuig,  of omgekeerd. Getracht is dubbeltellingen zo veel mogelijk te ondervangen,  maar deze materie blijft onderwerp van verdere studie. Het begrip ‘register’ is tamelijk letterlijk op te vatten. Elk geval is genummerd en de gegevens beperken zich tot een zogenaamde ‘basisregistratie’.

Daarin zijn de volgende elementen verwerkt:
-Tijdelijk volgnummer
-Datum
-Tijdstip (indien cursief: bij benadering)
-Plaats van crash (dit is zoveel mogelijk de locatieaanduiding die tijdens de oorlogsjaren werd gebruikt. Grote delen van het IJsselmeer zijn sindsdien drooggelegd. Zo mogelijk is de huidige locatie in Flevoland toegevoegd.
-Vliegtuigtype
-Serienummer (wanneer bij Duitse serienummers een ‘ * ‘ achter het nummer is geplaatst, wil dat zeggen dat het toestel meer dan 60 procent beschadigd is geraakt en dus als vernietigd moet worden beschouwd).
-Eenheid
-(Eerste) vlieger
-Een aanduiding of alle gegevens van de bemanning bekend (B) zijn,  dat nog gegevens ontbreken (O).
-Een aanduiding of het vliegtuig op de grond is vernield door een bombardement of eigen personeel (G).
-Een aanduiding dat het toestel door de eigen troepen is vernietigd (ZV).
-Een aanduiding dat het toestel is achtergelaten en in Duitse handen gevallen (A).

Een verklaring van de rang kan elders op deze website gevonden worden. In dit register ontbreken voorlopig nog de geallieerde zweefvliegtuigen die in 1944 werden ingezet tijdens operatie Market Garden. Zij vragen om een andere aanpak,  omdat hun inzet immers een ander doel beoogde dan die van een ‘gewoon’ vliegtuig,  dat diende terug te keren naar de thuisbasis. De gliders moesten met een eenmalige vlucht troepen afleveren en konden niet meer opstijgen. Een deel ervan ging verloren,  een ander deel werd na de strijd weer verzameld en opnieuw ingezet. Het onderzoek hiernaar is zo ingewikkeld,  dat nog geruime tijd zal verstrijken voordat een betrouwbaar overzicht van de glider-verliezen kan worden gepresenteerd.

De publicatie van de chronologische lijsten in Bulletin leidde tot vele reacties,  die zijn gebruikt om het register te verbeteren. Sommige crashes vervielen en weer andere werden toegevoegd. Om die reden kan de nummering verspringen en kunnen nummers worden aangevuld met letters (bijvoorbeeld T5494A). Het moment is nu echter gekomen,  dat een presentatie van de huidige stand van zaken gerechtvaardigd is. Daarmee wordt het doel bereikt om een totaalbeeld te geven,  wat een mijlpaal mag worden genoemd. De gevens van de individuele gevallen kunnen op basis hiervan worden geordend. Ongetwijfeld komt door het verschijnen van dit register op de website weer nieuwe informatie boven water. De hoeveelheid informatie die ten grondslag ligt aan dit register is gigantisch. Ondanks zorgvuldige controle is het daarom niet uit te sluiten dat feiten in enkele gevallen onvolledig of zelfs onjuist zijn weergegeven. Wij zijn ons hiervan bewust. Omdat wij streven naar een register dat zo betrouwbaar mogelijk is,  houdt de SGLO zich zeer aanbevolen voor aanvullingen en verbeteringen.

Op dit moment (november 2010) staan er in het verliesregister 6059 vliegtuigen die op Nederlands grondgebied zijn neergestort. De gemiddelde Nederlander kan zich een dergelijk aantal nauwelijks voorstellen.

Het is voor een belangrijk deel aan Frans Auwerda te danken dat het register tot stand kwam. De bestuurscommissie is hem zeer erkentelijk voor het vele werk dat hij heeft verricht. De bescheiden vasthoudendheid waarmee Frans dit tot een goed einde bracht is boven alle lof verheven. Een oude wens van velen -zowel binnen de SGLO als daarbuiten- gaat hiermee in vervulling.

Op de pagina’s per oorlogsjaar is aanvullende informatie te vinden over de belangrijkste gebeurtenissen per oorlogsjaar. Onderaan deze pagina’s staat de link naar een .pdf met de basisgegevens per crash. Sinds 29 maart 2014 is een langgekoesterde wens van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 in vervulling gegaan en is het Verliesregister met informatie over meer dan 6.000 in Nederland neergekomen vliegtuigen online te vinden. Klik hier om naar het digitale Verliesregister te gaan.